
Falderij, pientere lieden!
Het is we’er enige tijd geleden dat wij elkander spraken, en het doet mij deugd u allen te laten weten dat het ons prima gaat. De meesten van ons in ieder geval.
Mijn zoon Frits is nog altijd den Koning der Britten. Hij is een seer goede koning, befaamd om zijn gevoel voor rechtvaardigheid en om de deugden die hij doet rondgeven. Zo stamt van hem het bekende Fritsoordeel af, dat jullie in den twintigste eeuw vast wel kennen. Toen twee vrouwen met een baby naar den koning kwamen, ruziënd om wie den baby’s moeder was, hakte hij den baby schoon doormidden met zijn zwaard, en beval dat ze beiden een helft kregen! Sindsdien maakt er niemand meer ruzie over wie den moeders baby is!
Gawain den ridder heeft een heuse boutique opgericht. Hier verkoopt hij harnassen in vele bonte kleuren en maten. De naam van deez’ boutique? Gaywain’s natuurlijk! Hij is zonder enigen twijfel den eerste nicht in den geschiedenis van West-Europa!
Merlijn den Tovenaar overleed drie maanden geleden aan cholera. Het is jammer, maar zulks gebeurt, zeker in den Middeleeuwen!
Ridder Galahad is enkele weken terug vertrokken aan een kruistocht. Hij had zichzelf nog geen duidelijk doel gesteld waar hij heen wilde, of tegen wie hij zijn kruis wilde richten. Tot nu toe heeft zijn tocht hem voornaam’lijk door het Franse Rijk geleid, waar hij die verschrikkelijke Fransen met hun bagguettes en wijn het leven heerlijk zuur maakt. Verleden week nog ontvingen wij bericht dat Galahad tijdens een parlementsvergadering op den Franse koning is gaan zitten en er pas af kwam toen deez’ arme koning toegaf dat ‘den Fransen den grootste mietjes van den ganze wereld zijn!’ Vervolgens is hij, nog altijd in het bijzijn van het Franse parlement en den Franse koning, met den Franse koningin naar bed gegaan, en heeft haar met kind geschopt. Den Franse koning durft hier uiteraard niets van te zeggen! Ha ha, we missen Galahad nu al!
Den Joodse Agent wordt hier een beetje met den nek aangekeken. Wij leven hier in enen zwarte tijd, ongelijk aan de verlichte eenentwintigste eeuw, en in deez’ tijd worden den Joodse volk gediscrimineerd. Ik vind het erg jammer voor hem, maar helpen zal ik hem niet, daar hij immers poogde mij te verkrachten, en tegelijkertijd een alcoholistische smeerlap is. Maar elke andere Jood die mijn pad kruist kan een schouderklop verwachten. Zigeuners blijven een ander verhaal.
De jonge bokling die ik voor Frits kocht is bij het eerste diner hier aan het spit geregen. Frits had er niet zo’n probleem mee, en den bokling zelf ook niet, want hij stierf voor een goed doel; het vullen van den maag van voornamelijk Galahad. Wij moesten immers vieren dat Sampronius, van wie wij gelukkig niets meer hebben vernomen, verslagen was!
Ik ondergetekendheid hebbe het hier trouwens goed naar mijnen zin. Als vader en voornaamsten raadgever van den koning geniet ik veel aanzien en respect en alle kind’ren waar ik mijn oog (en meer!) maar op kan leggen! Wat mijn betreft zijn den Middeleeuwen een veel aangenamere, prettige ende minder gecompliceerde tijd dan die verschrikkelijke eenentwintigste eeuw, met haar excessen als 9 september en U-Tube.
Wat betreft het meisje van den kinderpostze’els. Daar komen wij nu aan toe! Ik meldde eerder toch dat zij dusdanige volle heupen had voor het baren van kind’ren? Wel, dat komt hier dus terug, aangezien zij tijdens haar kortstondige gevangenschap in den kelder van ons huis is bevrucht door
niemand minder dan den jonge bokling! Ik was zeer verheugd toen ik hiervan hoorde, maar het meiske zelf wat minder. Gelukkig hebben wij haar door haar zware, negen maanden durende zwangerschap heen kunnen loodsen.
Nu was het moment aangebroken dat zij gaat baren. Koning Frits en ik stonden, samen met enen vroedvrouw, bij haar bed in de hoogste toren van de Tower ‘o London, terwijl zij weeën voelde. Ze huilde het uit van de pijn; zij was tenslotte pas elf of zo, wat in de Middeleeuwen een meer dan geschikte leeftijd is om te baren, maar in onze eenentwintigste eeuw, waaruit zij stamt, lag zulks uiteraard heel anders!
Den baarmoedermond was al aan het ontsluiten, en vruchtwater sijpelde op de grond. Vervolgens diende den slijmprop zich aan. Frits maakte een kommetje van zijn handen om deez’ op te vangen; den sul dacht dat het den baby was, en hij ving slechts baarmoederslijm. Ik heb hierom smakelijk moeten lachen. Ack-ack-ack! Frits, nooit iemand om zich te laten beschimpen, overtrof mijn gespot door het slijm over zijn gezicht te smeren en te pretenderen dat het scheerschuim was! De vroedvrouw keek afkeurend toe, maar zei niets, aangezien vrouwen in den Middeleeuwen god zij gedankt geen rechten hebben!
De contracties zetten zich gestaag voort, en bij elke puf en hijg ontsloot de baarmoedermond zich meer en meer. Ik zag het van zeer dichtbij gebeuren; het wonder van den geboorte! Ik kon niet zeggen hoeveel centimeters den baarmoeder inmiddels ontsloten was, want in den Middeleeuwen werkte men nog niet met dergelijke lengtematen!
Nu begon den ware bevalling!
“Persen, meid!”, zei ik, “Persen, anders sterft het kind nog!”
Ze deed haar best, oh, hoe ze haar best deed! Als een gewichtheffer die probeert een byzonder zwaar gewicht op te heffen vertrok zij haar gezicht, en drukte, drukte, drukte, tot de vliezen braken; het was als een dijkdoorbraak, waarbij alles naar buiten kwam; bloed, placenta, baarmoederwater, gal, gelijk aan water stroomden zij over den grond, als een moesson van geboortesappen, een cocktail van levenswater!
“Pers dan!”, riep Frits, “Pers! Start de persen!”
Ze gehoorzaamde, en perste beetje bij beetje het bebloede kind naar buiten. Eerst meenden wij een hoofdje te zien, en we vreesden dat het niet bewoog, dat het een miskraam zou zijn…
Maar nee, het kind begon te janken! Het was geen byzonder menselijk geluid; geen geluid dat een gewone baby zou maken, maar den vader was in deez’ geval dan ook een bokling! Het klonk als een geblaat van een jong lammetje of geitje, vermengd met de kreten van een hevig geconstipeerde volgroeide man! Het leefde in ieder geval, het leefde!
Het meisje perste den laatste stukjes kind naar buiten; een bijzonder groot kind, volledig wit van huid, zacht, harig wit, met kleine bokkenpootjes waar de voeten hoorden te zitten, en hoorntjes in zijn hoofd, maar verder met een mensengezicht, en een volstrekt verwilderde uitdrukking in zijn koppie.
De vroedvrouw ving het kind op, en het blaatte hevig. Vlug greep Frits een hakbijl, waarmee hij de navelstreng doorkliefde. Hoezee, zie daar, het kind war geboren!
Frits nam de baby in zijn armen; deze was zwaar en zeker anderhalf keer zo groot als een normale baby; het blaatte en krijste, sloeg met zijn hoeven, was bebloed en wel, maar Frits oogde zo gelukkig. Nu den bokling was verorberd zou hij zich voornemen zelf als een vader voor het kind op te treden.
We lieten den vroedvrouw achter om zich met den nageboorte te bemoeien en hier ene moederkoek uit te bakken, en brachten het kind naar de rand van de toren, waar het Frits het keurde, of het sterk genoeg was. Te zwakke kinderen werden, volgens den Middeleeuwse traditie, van de toren geworpen, want het Rijk van Koning Arthur kende alleen echte mannen! Frits keurde het kind, besloot dat het voldoende sterk was, voldoende dapper, voldoende om de lijn voort te zetten!
“Jouw naam zal Geitman zijn!”, zei Frits, “En jij zult mijn erfgenaam heten!”
EINDE